Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Talen
Google Translate:
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 2,00 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 1,00 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen.
Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Patiënten met comorbiditeiten Verminderde leverfunctie De veiligheid en werkzaamheid van Kaletra zijn niet vastgesteld bij patiënten met ernstige onderliggende leveraandoeningen. Kaletra is gecontra-indiceerd bij patiënten met ernstig verminderde leverfunctie (zie rubriek 4.3). Patiënten met chronische hepatitis B of C die kan worden behandeld met antiretrovirale combinatietherapie hebben een verhoogd risico op ernstige en mogelijk fatale bijwerkingen aan de lever. Raadpleeg bij gelijktijdige antivirale therapie voor hepatitis B of C ook de relevante productinformatie voor deze geneesmiddelen. Patiënten met een reeds bestaande leverfunctiestoornis, waaronder chronische hepatitis, hebben een verhoogde frequentie van leverfunctiestoornissen tijdens antiretrovirale combinatietherapie en moeten volgens de gangbare praktijk worden gecontroleerd. Als de leveraandoening bij dergelijke patiënten erger blijkt te worden, moet onderbreking of stopzetting van de behandeling worden overwogen. Verhoogde transaminasen met of zonder verhoogde bilirubinegehaltes zijn gerapporteerd bij met hiv-1 mono-geïnfecteerde patiënten en bij individuen behandeld voor post-exposure profylaxe reeds vanaf 7 dagen na de start van lopinavir/ritonavir in combinatie met andere antiretrovirale middelen. In sommige gevallen was de leverfunctiestoornis ernstig. Gepaste laboratoriumtests dienen te worden uitgevoerd alvorens de therapie met lopinavir/ritonavir te starten en tijdens de behandeling dient nauwkeurige controle plaats te vinden. Verminderde nierfunctie Aangezien de renale klaring van lopinavir en ritonavir te verwaarlozen is, worden toegenomen plasmaconcentraties niet verwacht bij patiënten met verminderde nierfunctie. Omdat lopinavir en ritonavir in hoge mate aan eiwit gebonden zijn, is het onwaarschijnlijk dat ze significant worden verwijderd via hemodialyse of peritoneale dialyse. Hemofilie Er zijn meldingen geweest van toegenomen bloeding, inclusief spontane huidhematomen en hemartrosen bij patiënten met hemofilie type A en B die behandeld werden met proteaseremmers. Sommige patiënten kregen daarnaast factor VIII. In meer dan de helft van de gerapporteerde gevallen werd de behandeling met proteaseremmers voortgezet of opnieuw gestart wanneer de behandeling was gestopt. Een causaal verband is gesuggereerd, alhoewel het werkingsmechanisme nog niet is opgehelderd. Patiënten met hemofilie dienen daarom op de hoogte te worden gebracht van de mogelijkheid van toegenomen bloeding. Pancreatitis Er zijn gevallen van pancreatitis gerapporteerd bij patiënten die Kaletra kregen, waaronder diegenen die hypertriglyceridemie ontwikkelden. In de meeste gevallen hadden deze patiënten een voorgeschiedenis van pancreatitis en/of gelijktijdige behandeling met andere geneesmiddelen geassocieerd met pancreatitis. Opvallende triglyceridenverhoging is een risicofactor voor de ontwikkeling van pancreatitis. Patiënten met vergevorderde hiv lopen mogelijk risico op verhoogde triglyceriden en pancreatitis. Pancreatitis dient te worden overwogen indien klinische symptomen (misselijkheid, overgeven, buikpijn) of afwijkingen in laboratoriumwaarden (zoals toegenomen serumlipase- of amylasewaarden) worden waargenomen die pancreatitis doen vermoeden. Patiënten die deze tekenen of symptomen vertonen dienen te worden geëvalueerd en behandeling met Kaletra dient te worden onderbroken indien de diagnose pancreatitis wordt gesteld (zie rubriek 4.8). Immuunreconstitutie-ontstekingssyndroom Bij hiv-geïnfecteerde patiënten die op het moment dat de antiretrovirale combinatietherapie (CART) wordt gestart een ernstige immuundeficiëntie hebben, kan zich een ontstekingsreactie op asymptomatische of nog aanwezige opportunistische pathogenen voordoen die tot ernstige klinische manifestaties of verergering van de symptomen kan leiden. Dergelijke reacties zijn vooral in de eerste weken of maanden na het starten van CART gezien. Relevante voorbeelden zijn cytomegalovirus retinitis, gegeneraliseerde en/of focale mycobacteriële infecties en Pneumocystis jiroveci pneumonie. Alle symptomen van de ontsteking moeten worden beoordeeld en zo nodig dient een behandeling te worden ingesteld. Auto-immuunziekten (zoals de ziekte van Graves en auto-immuun hepatitis) zijn gerapporteerd bij het ontstaan van een immuunreconstitutie. De gerapporteerde latentietijd is echter meer variabel en de ziekten kunnen zich vele maanden na initiatie van de behandeling voordoen. Osteonecrose Hoewel men aanneemt dat bij de etiologie vele factoren een rol spelen (waaronder gebruik van corticosteroïden, alcoholgebruik, ernstige immunosuppressie, hoge Body Mass Index), zijn gevallen van osteonecrose vooral gemeld bij patiënten met voortgeschreden hiv-infectie en/of langdurige blootstelling aan antiretrovirale combinatietherapie (CART). Patiënten moet worden aangeraden om een arts te raadplegen wanneer hun gewrichten pijnlijk zijn of stijf worden of wanneer zij moeilijk kunnen bewegen. PR-interval verlenging Van lopinavir/ritonavir is bekend dat het bij sommige gezonde volwassen vrijwilligers een geringe asymptomatische verlenging van het PR-interval veroorzaakt. Bij patiënten die lopinavir/ritonavir kregen zijn zeldzame meldingen gemaakt van tweede- of derdegraads atrioventriculair blok bij patiënten met onderliggende structurele hartproblemen en reeds bestaande geleidingssysteemafwijkingen en bij patiënten die geneesmiddelen kregen waarvan bekend is dat zij het PR-interval verlengen (zoals verapamil of atazanavir). Kaletra dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij dergelijke patiënten (zie rubriek 5.1). Gewicht en metabole parameters Een gewichtstoename en een stijging van de serumlipiden- en bloedglucosespiegels kunnen tijdens antiretrovirale behandeling optreden. Zulke veranderingen kunnen gedeeltelijk samenhangen met het onder controle brengen van de ziekte en de levensstijl. Voor lipiden is er in sommige gevallen bewijs voor een effect van de behandeling, terwijl er voor gewichtstoename geen sterk bewijs is dat het aan een specifieke behandeling gerelateerd is. Voor het controleren van de serumlipiden en bloedglucose wordt verwezen naar de vastgestelde hiv-behandelrichtlijnen. Lipidestoornissen moeten worden behandeld waar dat klinisch aangewezen is. Interacties met geneesmiddelen Kaletra bevat lopinavir en ritonavir, die beide remmers zijn van de P450 isoform CYP3A. Het is waarschijnlijk dat Kaletra de plasmaconcentraties van geneesmiddelen die voornamelijk worden gemetaboliseerd door CYP3A verhoogt. Deze toenames in plasmaconcentraties van gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen kunnen hun therapeutisch effect en bijwerkingen doen versterken of verlengen (zie rubrieken 4.3 en 4.5). Sterke CYP3A4-remmers zoals proteaseremmers kunnen de blootstelling aan bedaquiline verhogen waardoor het risico op bedaquilinegerelateerde bijwerkingen mogelijk kan toenemen. Om die reden dient de combinatie van bedaquiline met lopinavir/ritonavir vermeden te worden. Als het voordeel echter opweegt tegen het risico, dient de gelijktijdige toediening van bedaquiline met lopinavir/ritonavir met voorzichtigheid te gebeuren. Frequentere ECG-monitoring en controle van de transaminasewaarden worden aanbevolen (zie rubriek 4.5 en raadpleeg de Samenvatting van de Productkenmerken van bedaquiline). Co-administratie van delamanid met een sterke CYP3A-remmer (zoals lopinavir/ritonavir) kan de blootstelling aan de delamanid metaboliet, welke geassocieerd wordt met QTc-verlenging, verhogen. Als co-administratie van delamanid met lopinavir/ritonavir noodzakelijk wordt geacht, dan wordt daarom zeer regelmatige ECG-monitoring aanbevolen gedurende de volledige behandelperiode met delamanid (zie rubriek 4.5 en zie de Samenvatting van de Productkenmerken van delamanid). Levensbedreigende en dodelijke geneesmiddelinteracties zijn gemeld bij patiënten die behandeld waren met colchicine en sterke CYP3A-remmers zoals ritonavir. Gelijktijdige toediening met colchicine is gecontra-indiceerd bij patiënten met een nier- en/of leverfunctiestoornis (zie rubrieken 4.3 en 4.5). De combinatie van Kaletra met: - tadalafil, geïndiceerd voor de behandeling van pulmonale arteriële hypertensie wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5); - riociguat wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5); - fusidinezuur bij osteoarticulaire infecties wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5); - salmeterol wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5); - rivaroxaban wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.5). De combinatie van Kaletra met atorvastatine wordt niet aanbevolen. Als het gebruik van atorvastatine strikt noodzakelijk wordt geacht, dient de laagst mogelijke dosis atorvastatine te worden toegediend onder nauwkeurige veiligheidsbewaking. Voorzichtigheid is tevens geboden en verminderde doses dienen te worden overwogen indien Kaletra gelijktijdig wordt gebruikt met rosuvastatine. Indien behandeling met een HMG-CoA reductaseremmer is aangewezen, wordt pravastatine of fluvastatine aanbevolen (zie rubriek 4.5). PDE5 remmers Extra voorzichtigheid dient te worden betracht bij het voorschrijven van sildenafil of tadalafil voor de behandeling van erectiestoornissen aan patiënten die Kaletra gebruiken. Van gelijktijdige toediening van Kaletra met deze geneesmiddelen wordt verwacht dat het hun concentraties aanzienlijk verhoogt en kan resulteren in geassocieerde bijwerkingen zoals hypotensie, syncope, visusveranderingen en langdurige erectie (zie rubriek 4.5). Gelijktijdig gebruik van avanafil of vardenafil en lopinavir/ritonavir is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Gelijktijdig gebruik van sildenafil wat wordt voorgeschreven voor de behandeling van pulmonale arteriële hypertensie en Kaletra is gecontra�indiceerd (zie rubriek 4.3). Bijzondere voorzichtigheid is geboden wanneer Kaletra en geneesmiddelen worden voorgeschreven waarvan bekend is dat ze verlenging van het QT-interval teweegbrengen zoals: chloorfeniramine, kinidine, erytromycine, claritromycine. Kaletra kan inderdaad concentraties van gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen doen toenemen, wat kan resulteren in een toename van hun cardiale bijwerkingen. In preklinisch onderzoek zijn cardiale bijwerkingen gerapporteerd bij Kaletra; daarom kunnen de potentiële cardiale effecten van Kaletra op dit moment niet worden uitgesloten (zie rubrieken 4.8 en 5.3). Gelijktijdig gebruik van Kaletra met rifampicine wordt niet aanbevolen. Rifampicine veroorzaakt in combinatie met Kaletra grote verlagingen in lopinavirconcentraties welke op hun beurt het therapeutische effect van lopinavir significant kunnen verlagen. Voldoende blootstelling aan lopinavir/ritonavir kan bereikt worden door een hogere dosis Kaletra te gebruiken, maar dit maakt de kans op lever- en gastrointestinale toxiciteit groter. Daarom moet gelijktijdig gebruik vermeden worden, tenzij dit strikt noodzakelijk geacht wordt (zie rubriek 4.5). Gelijktijdig gebruik van Kaletra en fluticason of andere glucocorticoïden die door CYP3A4 gemetaboliseerd worden, zoals budesonide en triamcinolon, wordt niet aangeraden tenzij het potentiële voordeel van de behandeling zwaarder weegt dan het risico op systemische corticosteroïd effecten, waaronder Cushing-syndroom en suppressie van de bijnier (zie rubriek 4.5). Overige Kaletra geneest hiv-infectie of aids niet. Mensen die Kaletra gebruiken kunnen nog steeds infecties ontwikkelen of andere met hiv of aids samenhangende ziekten. Natrium Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
Behandeling van retrovirusinfecties : - t.g.v. HIV-infectie bij volwassenen of kinderen met tekens van progressieve of gevorderde immuundeficiëntie, in combinatie met andere antiretrovirale farmaca (nucleoside-analogen)... OPGELET: - roeit de infectie niet uit, maar vertraagt enkel de progressie van de ziekte (vooral in tritherapie).
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stoffen in dit middel zijn lopinavir en ritonavir. Elke ml Kaletra drank bevat 80 mg lopinavir en 20 mg ritonavir.
De andere stoffen in dit middel zijn: Alcohol, stroop met hoog fructosegehalte, propyleenglycol, gezuiverd water, glycerol, povidon, magnasweet-110 smaakstof (mengsel van monoammoniumglycyrrhizinaat en glycerol), vanille-smaakstof (bevattende p-hydroxybenzoëzuur, p-hydroxybenzaldehyde, vanillinezuur, vanilline, heliotropine, ethylvanilline), polyoxyl 40 gehydrogeneerde ricinusolie, suikerspin-smaakstof (bevattende ethylmaltol, ethylvanilline, acetoïne, dihydrocoumarine, propyleenglycol), kalium-acesulfaam, natriumsaccharine, natriumchloride, pepermuntolie, natriumcitraat, citroenzuur, levomenthol.
Geneesmiddelen die gecontra-indiceerd zijn voornamelijk vanwege de te verwachten grootte van de interactie en de mogelijkheid voor ernstige bijwerkingen, zijn beschreven in rubriek 4.3. Bekende en theoretische interacties met geselecteerde antiretrovirale middelen en niet-antiretrovirale geneesmiddelen zijn weergegeven in de tabel hieronder. Deze lijst is niet bedoeld als allesomvattend of volledig. Raadpleeg de specifieke SmPC. Interactietabel Interacties tussen Kaletra en gelijktijdig toegediende geneesmiddelen zijn weergegeven in onderstaande tabel (toename wordt weergegeven als "↑", afname als "↓", geen verandering als "↔", eenmaal daags als "QD", tweemaal daags "BID" en driemaal daags als "TID"). Tenzij anders aangegeven, zijn de studies hieronder beschreven uitgevoerd met de aanbevolen dosering van lopinavir/ritonavir (d.w.z. 400/100 mg tweemaal daags). Gelijktijdig toegediend geneesmiddel per therapeutisch gebied Effecten op geneesmiddelconcentratie Meetkundig gemiddelde verandering (%) in AUC, Cmax, Cmin Mechanisme van interactie Klinische aanbeveling aangaande gelijktijdige toediening met Kaletra Antiretrovirale middelen Nucleoside/Nucleotide reverse transcriptase inhibitors (NRTI's) Lamivudine Lopinavir: ↔ Geen dosisaanpassing nodig. Abacavir, zidovudine Abacavir, zidovudine: Concentraties kunnen afnemen vanwege toegenomen glucuronidering door lopinavir/ritonavir. De klinische significantie van afgenomen abacavir- en zidovudineconcentraties is onbekend. Tenofovirdisoproxilfumaraat (TDF), 300 mg QD (gelijkwaardig aan 245 mg tenofovir disoproxil) Tenofovir: AUC: ↑ 32 % Cmax: ↔ Cmin: ↑ 51 % Lopinavir: ↔ Geen dosisaanpassing nodig. Hogere tenofovirconcentraties zouden bijwerkingen die geassocieerd worden met tenofovir, waaronder nieraandoeningen, kunnen verergeren. Non-nucleoside reverse transcriptase inhibitors (NNRTI's) Efavirenz, 600 mg QD Lopinavir: AUC: ↓ 20 % Cmax: ↓ 13 % Cmin: ↓ 42 % Zie rubriek 4.2 voor de aanbevolen dosering van Kaletra of overweeg een alternatieve behandeling. Kaletra mag niet eenmaal daags toegediend worden in combinatie met efavirenz. Nevirapine, 200 mg BID Lopinavir: AUC: ↓ 27 % Cmax: ↓ 19 % Cmin: ↓ 51 % Zie rubriek 4.2 voor de aanbevolen dosering van Kaletra of overweeg een alternatieve behandeling. Kaletra mag niet eenmaal daags toegediend worden in combinatie met nevirapine. Etravirine (Lopinavir/ritonavir tablet 400/100 mg BID) Etravirine: AUC: ↓ 35 % Cmax: ↓ 45 % Cmin: ↓ 30 % Lopinavir: AUC: ↔ Cmax: ↓ 20 % Cmin: ↔ Geen dosisaanpassing nodig. Rilpivirine (Lopinavir/ritonavir capsule 400/100 mg BID) Rilpivirine: AUC: ↑ 52% Cmin: ↑ 74% Cmax: ↑ 29% Lopinavir: AUC: ↔ Cmin: ↓ 11% Cmax: ↔ (remming van CYP3A enzymen) Gelijktijdig gebruik van Kaletra met rilpivirine veroorzaakt een toename in de plasmaconcentraties van rilpivirine, maar het is niet nodig de dosis aan te passen. HIV CCR5-antagonist Maraviroc Maraviroc: AUC: ↑ 295 % Cmax: ↑ 97 % Vanwege remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir. De dosering van maraviroc dient te worden verlaagd naar 150 mg tweemaal daags wanneer deze gelijktijdig wordt toegediend met Kaletra 400/100 mg tweemaal daags. Integraseremmer Raltegravir Raltegravir: AUC: ↔ Cmax: ↔ C12: ↓ 30 % Lopinavir: ↔ Geen dosisaanpassing nodig. Gelijktijdige toediening met andere hiv-proteaseremmers (PI's) Volgens de huidige behandelingsrichtlijnen wordt combinatietherapie met proteaseremmers over het algemeen niet aanbevolen. Fosamprenavir/ ritonavir (700/100 mg BID) (lopinavir/ritonavir 400/100 mg BID) of Fosamprenavir (1400 mg BID) (lopinavir/ritonavir 533/133 mg BID) Fosamprenavir: Amprenavirconcentraties nemen significant af. Gelijktijdige toediening van een verhoogde dosis fosamprenavir (1400 mg BID) met Kaletra drank (533/133 mg BID) aan patiënten die voorbehandeld zijn met proteaseremmers, resulteerde in een hogere incidentie gastrointestinale bijwerkingen en verhogingen van de triglyceriden met het combinatieregime zonder verhoging van virologische effectiviteit, vergeleken met de standaarddosering fosamprenavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van deze geneesmiddelen wordt niet aanbevolen. Tipranavir/ritonavir (500/100 mg BID) Lopinavir: AUC: ↓ 55 % Cmin: ↓ 70 % Cmax: ↓ 47 % Gelijktijdige toediening van deze geneesmiddelen wordt niet aanbevolen. Maagzuurremmende middelen Omeprazol (40 mg QD) Omeprazol: ↔ Lopinavir: ↔ Geen dosisaanpassing nodig. Ranitidine (150 mg enkele dosis) Ranitidine: ↔ Geen dosisaanpassing nodig. Alpha1-adrenoceptor antagonist: Alfuzosine Alfuzosine: Naar verwachting zullen concentraties van alfuzosine toenemen vanwege remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra en alfuzosine is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3) omdat de alfuzosine-gerelateerde toxiciteit, waaronder hypotensie, kan toenemen. Analgetica Fentanyl Fentanyl: Verhoogd risico op bijwerkingen (ademhalingsdepressie, sedatie) door verhoogde plasmaconcentraties, vanwege CYP3A4-remming door lopinavir/ritonavir. Nauwlettende controle op bijwerkingen (met name ademhalingsdepressie maar ook sedatie) wordt aanbevolen wanneer fentanyl gelijktijdig wordt toegediend met Kaletra. Anti-angineus Ranolazine Wegens remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir wordt verwacht dat de concentratie van ranolazine toeneemt. Gelijktijdige toediening van Kaletra en ranolazine is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Anti-aritmica Amiodaron, dronedarone Amiodaron, dronedarone: Concentraties kunnen worden verhoogd vanwege remming van CYP3A4 door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra met amiodaron of dronedarone is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3) omdat het risico op aritmieën of andere ernstige bijwerkingen verhoogd kan zijn. Digoxine Digoxine: Plasmaconcentraties kunnen toenemen vanwege P-glycoproteïneremming door lopinavir/ritonavir. De toegenomen digoxinespiegel kan na verloop van tijd dalen, doordat P-gp-inductie zich ontwikkelt. Voorzichtigheid is geboden en controle van de therapeutische digoxineconcentraties, indien beschikbaar, wordt aanbevolen in geval van gelijktijdige toediening van Kaletra en digoxine. Extra voorzichtigheid dient te worden toegepast bij het voorschrijven van Kaletra bij patiënten die digoxine gebruiken, omdat het acute remmende effect van ritonavir op P-gp naar verwachting de digoxinespiegels significant doet toenemen. Starten van digoxine bij patiënten die reeds Kaletra gebruiken leidt naar verwachting tot een beperktere toename van digoxineconcentraties. Bepridil, systemisch lidocaïne en kinidine Bepridil, systemisch lidocaïne, kinidine: Concentraties kunnen toenemen bij gelijktijdige toediening met lopinavir/ritonavir. Voorzichtigheid is geboden en controle van de therapeutische geneesmiddelconcentratie wordt aanbevolen, indien beschikbaar. Antibiotica Claritromycine Claritromycine: Matige toenames in de AUC van claritromycine worden verwacht vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Bij patiënten met verminderde nierfunctie (CrCL <30 ml/min) dient doseringsverlaging van claritromycine te worden overwogen (zie rubriek 4.4). Voorzichtigheid moet worden betracht bij gelijktijdige toediening van claritromycine met Kaletra aan patiënten met verminderde lever- of nierfunctie. Cytostatica en kinaseremmers Abemaciclib Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door ritonavir. Gelijktijdige toediening van abemaciclib en Kaletra moet vermeden worden. Als deze gelijktijdige toediening als onvermijdelijk wordt beoordeeld, raadpleeg de Samenvatting van de Productkenmerken van abemaciclib voor aanbevolen dosisaanpassing. Controleer nauwlettend op abemaciclib-gerelateerde bijwerkingen. Apalutamide Apalutamide is een matige tot sterke CYP3A4-inductor en dit kan leiden tot een verminderde blootstelling aan lopinavir/ritonavir. Serumconcentraties van apalutamide kunnen verhoogd zijn vanwege de CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Een afname van de blootstelling aan Kaletra kan resulteren in een mogelijk verlies van virologische respons. Bovendien kan gelijktijdige toediening van apalutamide en Kaletra leiden tot ernstige bijwerkingen, zoals insulten vanwege hogere apalutamidespiegels. Gelijktijdig gebruik van Kaletra en apalutamide wordt niet aanbevolen. Afatinib (ritonavir 200 mg tweemaal daags) Afatinib: AUC: ↑ Cmax: ↑ De mate van de toename is afhankelijk van het innamemoment van ritonavir. Vanwege BCRP (breast cancer resistance protein/ABCG2) en acute P-gp-remming door lopinavir/ritonavir. Voorzichtigheid is geboden bij het gelijktijdig toedienen van afatinib met Kaletra. Raadpleeg voor dosisaanpassingen de SmPC van afatinib. Controleer nauwlettend op afatinib-gerelateerde bijwerkingen. Ceritinib Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A en P-gp-remming door lopinavir/ritonavir. Voorzichtigheid is geboden bij het gelijktijdig toedienen van ceritinib met Kaletra. Raadpleeg voor dosisaanpassingen de SmPC van ceritinib. Controleer nauwlettend op ceritinib-gerelateerde bijwerkingen. De meeste tyrosinekinaseremmers zoals dasatinib en nilotinib, vincristine, vinblastine: Verhoogd risico op bijwerkingen door verhoogde serumconcentraties, vanwege CYP3A4-remming door lopinavir/ritonavir. Nauwlettende controle op de verdraagbaarheid van deze cytostatica. Encorafenib Serumconcentraties kunnen verhoogd zijn vanwege de CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van encorafenib en Kaletra kan de blootstelling aan encorafenib verhogen, wat het risico op toxiciteit kan verhogen inclusief het risico op ernstige bijwerkingen, zoals verlenging van het QT-interval. Gelijktijdige toediening van encorafenib en Kaletra dient vermeden te worden. Als het voordeel opweegt tegen het risico en Kaletra moet worden gebruikt, dient de patiënt voor de veiligheid nauwlettend te worden gecontroleerd. Fostamatinib Verhoogde blootstelling aan fostamatinib metaboliet R406. Gelijktijdige toediening van fostamatinib en Kaletra kan de blootstelling aan de fostamatinib metaboliet R406 verhogen, wat leidt tot dosisgerelateerde bijwerkingen zoals hepatotoxiciteit, neutropenie, hypertensie of diarree. Raadpleeg de samenvatting van de productkenmerken van fostamatinib voor aanbevelingen voor dosisverlaging als dergelijke voorvallen optreden. Ibrutinib Serumconcentraties kunnen verhoogd zijn vanwege CYP3A remming door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van ibrutinib en Kaletra kan de blootstelling aan ibrutinib verhogen waardoor het risico op toxiciteit kan toenemen, inclusief het risico op tumorlysissyndroom. Gelijktijdige toediening van ibrutinib en Kaletra dient vermeden te worden. Als het voordeel opweegt tegen het risico en Kaletra moet gebruikt worden, dient de dosis ibrutinib te worden verlaagd tot 140 mg en de patiënt nauwlettend te worden gecontroleerd op toxiciteit. Neratinib Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door ritonavir. Gelijktijdig gebruik van Kaletra met neratinib is gecontra-indiceerd vanwege mogelijke ernstige en/of levensbedreigende reacties waaronder hepatotoxiciteit (zie rubriek 4.3). Venetoclax Vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Serumconcentraties kunnen verhoogd zijn vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Dit resulteert in een verhoogd risico op tumorlysissyndroom bij het starten van de behandeling en de dosisopbouwfase (zie rubriek 4.3 en de SmPC van venetoclax). Voor patiënten die de dosisopbouwfase hebben afgerond en een stabiele dagelijkse venetoclax dosering krijgen, dient de venetoclax dosering met minimaal 75% te worden verlaagd wanneer ook sterke CYP3A-remmers worden gebruikt (zie doseringsinstructies in de SmPC van venetoclax). Patiënten moeten nauwlettend worden gecontroleerd op symptomen gerelateerd aan venetoclax-toxiciteit. Anticoagulantia Warfarine Warfarine: Concentraties kunnen worden beïnvloed bij gelijktijdige toediening met lopinavir/ritonavir door CYP2C9-inductie. Het wordt aanbevolen de INR (international normalised ratio) te controleren. Rivaroxaban (Ritonavir 600 mg tweemaal daags) Rivaroxaban: AUC: ↑ 153 % Cmax: ↑ 55 % Vanwege remming van CYP3A en P-gp door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van rivaroxaban en Kaletra kan de blootstelling aan rivaroxaban verhogen wat het risico op bloeding kan verhogen. Het gebruik van rivaroxaban wordt niet aanbevolen bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met Kaletra (zie rubriek 4.4). Dabigatran etexilaat Edoxaban Dabigatran etexilaat, Edoxaban: Serumconcentraties kunnen verhoogd zijn als gevolg van P-gp-remming door lopinavir/ritonavir. Klinische monitoring en/of dosisverlaging van de directe orale anticoagulantia (DOAC) moet worden overwogen wanneer een DOAC getransporteerd door P-gp maar niet gemetaboliseerd door CYP3A4, waaronder dabigatran etexilaat en edoxaban, gelijktijdig wordt toegediend met Kaletra. Anticonvulsiva Fenytoïne Fenytoïne: De steady-stateconcentraties namen matig af vanwege CYP2C9- en CYP2C19-inductie door lopinavir/ritonavir. Lopinavir: Concentraties nemen af vanwege CYP3A-inductie door fenytoïne. Voorzichtigheid dient te worden betracht bij het gelijktijdig toedienen van fenytoïne met Kaletra. Fenytoïnespiegels moeten gecontroleerd worden bij gelijktijdig gebruik met Kaletra. Bij gelijktijdige toediening met fenytoïne, kan een verhoging van de Kaletradosering worden overwogen. Dosisaanpassing is niet geëvalueerd in de klinische praktijk. Kaletra mag niet eenmaal daags toegediend worden in combinatie met fenytoïne. Carbamazepine en fenobarbital Carbamazepine: Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Lopinavir: Concentraties kunnen afnemen vanwege CYP3A-inductie door carbamazepine en fenobarbital. Voorzichtigheid dient te worden betracht bij gelijktijdige toediening van carbamazepine of fenobarbital met Kaletra. Carbamazepine- en fenobarbitalspiegels moeten gecontroleerd worden bij gelijktijdig gebruik met Kaletra. Bij gelijktijdige toediening met carbamazepine of fenobarbital, kan een verhoging van de Kaletradosering worden overwogen. Dosisaanpassing is niet geëvalueerd in de klinische praktijk. Kaletra mag niet eenmaal daags toegediend worden in combinatie met carbamazepine en fenobarbital. Lamotrigine en valproaat Lamotrigine: AUC: ↓ 50 % Cmax: ↓ 46 % Cmin: ↓ 56 % Door inductie van lamotrigineglucuronidatie Valproaat: ↓ Wanneer Kaletra en valproïnezuur of valproaat gelijktijdig worden gegeven, moet de patiënt nauwlettend gecontroleerd worden op een verminderd VPA-effect. Bij patiënten die op het moment dat ze starten of stoppen met Kaletra de onderhoudsdosering van lamotrigine nemen: het kan nodig zijn de dosis lamotrigine te verhogen wanneer Kaletra wordt toegevoegd, of te verlagen wanneer met Kaletra wordt gestopt; daarom moet het plasmalamotrigine gecontroleerd worden, voornamelijk voor en gedurende 2 weken na het starten of stoppen met Kaletra om te zien of een dosisaanpassing van lamotrigine nodig is. Bij patiënten die momenteel Kaletra nemen en starten met lamotrigine: aanpassing van de aanbevolen dosisverhoging van lamotrigine zou niet nodig moeten zijn. Antidepressiva en Anxiolytica Trazodon enkele dosis (ritonavir, 200 mg BID) Trazodon: AUC: ↑ 2,4-voudig De bijwerkingen misselijkheid, duizeligheid, hypotensie en syncope werden waargenomen na gelijktijdige toediening van trazodon en ritonavir. Het is onbekend of de combinatie van Kaletra een vergelijkbare toename van de blootstelling aan trazodon veroorzaakt. De combinatie dient met voorzichtigheid te worden toegepast en een lagere dosering van trazodon dient te worden overwogen. Antischimmelmiddelen Ketoconazol en itraconazol Ketoconazol, itraconazol: Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Hoge doses van ketoconazol en itraconazol (> 200 mg/dag) worden niet aanbevolen. Voriconazol Voriconazol: Concentraties kunnen afnemen. Gelijktijdige toediening van voriconazol en ritonavir in lage dosering (100 mg BID) zoals Kaletra bevat dient te worden vermeden, tenzij een afweging van de voordelen tegen de risico's voor de patiënt het gebruik van voriconazol rechtvaardigt. Anti-jichtmiddelen Colchicine enkelvoudige dosis (Ritonavir 200 mg tweemaal daags) Colchicine: AUC: ↑ 3-voudig Cmax: ↑ 1,8-voudig vanwege remming van P-gp en/of CYP3A4 door ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra en colchicine is gecontra-indiceerd bij patiënten met een nier- en/of leverfunctiestoornis vanwege een mogelijke verhoging van colchicine-gerelateerde ernstige en/of levensbedreigende reacties zoals neuromusculaire toxiciteit (waaronder rabdomyolyse) (zie rubrieken 4.3 en 4.4). Bij patiënten met een normale nier- of leverfunctie wordt aanbevolen om de dosering van colchicine te verlagen of de behandeling met colchicine te onderbreken wanneer de behandeling met Kaletra noodzakelijk wordt geacht. Zie de voorschrijfinformatie van colchicine. Antahistaminica Astemizol Terfenadine Serumconcentraties kunnen worden verhoogd vanwege remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra en astemazol en terfenadine is gecontra-indiceerd, omdat het risico op ernstige aritmieën door deze middelen kan worden verhoogd (zie rubriek 4.3). Anti-infectiva Fusidinezuur Fusidinezuur: Concentraties kunnen worden verhoogd vanwege remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra met fusidinezuur is gecontra-indiceerd bij dermatologische indicaties vanwege een verhoogd risico op bijwerkingen gerelateerd aan fusidinezuur, in het bijzonder rabdomyolyse (zie rubriek 4.3). Indien gebruikt voor osteoarticulaire infecties waarbij gelijktijdige toediening onvermijdelijk is, wordt sterk aanbevolen nauwkeurig klinisch te monitoren op spier-bijwerkingen (zie rubriek 4.4). Antimycobacteriële middelen Bedaquiline (enkelvoudige dosis) (Lopinavir/ritonavir 400/100 mg BID, meervoudige doses) Bedaquiline: AUC: ↑ 22% Cmax: ↔ Een duidelijker effect op de bedaquiline plasmawaarden kan worden waargenomen bij lange gelijktijdig toediening met lopinavir/ritonavir. CYP3A4 remming is waarschijnlijk te wijten aan lopinavir/ritonavir. Vanwege het risico op bedaquilinegerelateerde bijwerkingen, dient de combinatie van bedaquiline met Kaletra vermeden te worden. Als het voordeel opweegt tegen het risico, dient de gelijktijdige toediening van bedaquiline met Kaletra met voorzichtigheid te gebeuren. Frequentere ECG-monitoring en controle van de transaminasewaarden worden aanbevolen (zie rubriek 4.4 en raadpleeg de Samenvatting van de Productkenmerken van bedaquiline). Delamanid (100 mg BID) (Lopinavir/ritonavir 400/100 mg BID) Delamanid: AUC: ↑ 22% DM-6705 (delamanid actieve metaboliet): AUC: ↑ 30% Een meer uitgesproken effect op DM-6705 blootstelling kan worden waargenomen tijdens langdurige co-administratie met lopinavir/ritonavir. Als co-administratie van delamanid met Kaletra noodzakelijk wordt geacht, dan wordt vanwege het risico op QTc-verlenging welke door DM-6705 kan optreden, zeer regelmatige ECG monitoring gedurende de volledige behandelperiode aanbevolen (zie rubriek 4.4 en zie de delamanid Samenvatting van de Productkenmerken). Rifabutine, 150 mg QD Rifabutine (moederstof en actieve metaboliet 25-O-desacetyl): AUC: ↑ 5,7-voudig Cmax: ↑ 3,5-voudig Bij gelijktijdige toediening met Kaletra is de aanbevolen dosis rifabutine 150 mg drie keer per week op vaste dagen (bijvoorbeeld maandag-woensdag-vrijdag). Extra controle op bijwerkingen geassocieerd met rifabutine, waaronder neutropenie en uveïtis, wordt aanbevolen vanwege een verwachte verhoogde blootstelling aan rifabutine. Verdere dosisverlaging van rifabutine naar 150 mg twee keer per week op vaste dagen wordt aanbevolen voor patiënten die de dosis van 150 mg drie keer per week niet verdragen. Men moet in het achterhoofd houden dat de dosis van 150 mg twee keer per week mogelijk niet de optimale blootstelling aan rifabutine zou kunnen leveren, wat kan leiden tot het risico van rifamycine-resistentie en een falende behandeling. Er is geen dosisaanpassing van Kaletra nodig. Rifampicine Lopinavir: Grote afnames in lopinavirconcentraties kunnen worden waargenomen vanwege CYP3A-inductie door rifampicine. Gelijktijdige toediening van Kaletra met rifampicine wordt niet aanbevolen, omdat de afname in de lopinavirconcentratie op zijn beurt het therapeutisch effect van lopinavir significant kan verminderen. Een dosisaanpassing van Kaletra naar 400 mg/400 mg (d.w.z. Kaletra 400/100 mg + ritonavir 300 mg) tweemaal daags zorgt voor compensatie van het CYP3A4-inducerende effect van rifampicine. Een dergelijke dosisaanpassing kan echter zorgen voor ALAT/ASAT-verhogingen en toename van gastrointestinale aandoeningen. Daarom dient deze gelijktijdige toediening vermeden te worden, tenzij dit strikt noodzakelijk geacht wordt. Als deze gelijktijdige toediening als onvermijdelijk wordt beoordeeld, moet de verhoogde dosering van Kaletra van 400 mg/400 mg tweemaal daags met rifampicine toegediend worden onder scherpe controle van veiligheid en therapeutische concentratie van de geneesmiddelen. De dosering Kaletra dient pas opgetitreerd te worden nadat rifampicine geïnitieerd is (zie rubriek 4.4). Antipsychotica Lurasidon Wegens remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir wordt verwacht dat de concentratie van lurasidon toeneemt. Gelijktijdige toediening met lurasidon is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Pimozide Wegens remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir wordt verwacht dat de concentratie van pimozide toeneemt. Gelijktijdige toediening van Kaletra en pimozide is gecontra-indiceerd, omdat het risico van ernstige hematologische afwijkingen of andere ernstige bijwerkingen door deze middelen kan worden verhoogd (zie rubriek 4.3). Quetiapine Wegens remming van CYP3A door lopinavir/ritonavir wordt verwacht dat de concentratie van quetiapine toeneemt. Gelijktijdige toediening van Kaletra en quetiapine is gecontra-indiceerd omdat het quetiapine-gerelateerde toxiciteit kan verhogen. Benzodiazepines Midazolam Oraal midazolam: AUC: ↑ 13-voudig Parenteraal midazolam: AUC: ↑ 4-voudig Vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Kaletra dient niet gelijktijdig met midazolam oraal te worden toegediend (zie rubriek 4.3), terwijl voorzichtigheid moet worden betracht bij gelijktijdige toediening van Kaletra met parenteraal midazolam. Als Kaletra gelijktijdig wordt toegediend met parenteraal midazolam, dient dit op een Intensive Care afdeling (IC) te gebeuren of in een vergelijkbare opstelling met de verzekering van nauwgezette klinische controle en geschikte medische behandeling in het geval van ademhalingsdepressie en/of langdurige sedatie. Met name als meer dan een enkelvoudige dosis midazolam wordt toegediend, dient dosisaanpassing van midazolam in overweging te worden genomen. Beta2-adrenoceptor agonist (langwerkend) Salmeterol Salmeterol: Verwacht wordt dat concentraties toenemen vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir De combinatie kan resulteren in een verhoogd risico op cardiovasculaire bijwerkingen geassocieerd met salmeterol, waaronder QT-verlenging, hartkloppingen en sinustachycardie. Daarom wordt gelijktijdige toediening van Kaletra met salmeterol niet aanbevolen (zie rubriek 4.4). Calciumkanaalblokkers Felodipine, nifedipine en nicardipine Felodipine, nifedipine, nicardipine: Concentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Klinische controle van therapeutische effecten en bijwerkingen wordt aanbevolen wanneer deze geneesmiddelen gelijktijdig worden toegediend met Kaletra. Corticosteroïden Dexamethason Lopinavir: Concentraties kunnen afnemen vanwege CYP3A-inductie door dexamethason. Klinische controle van antivirale werkzaamheid wordt aanbevolen wanneer deze geneesmiddelen gelijktijdig met Kaletra worden toegediend. Geïnhaleerde, injecteerbare of intranasale fluticasonpropionaat, budesonide, triamcinolon Fluticasonpropionaat, 50 µg intranasaal 4 keer per dag: Plasmaconcentraties ↑ Cortisolniveaus ↓ 86 % Wanneer fluticasonpropionaat geïnhaleerd wordt, kunnen versterkte effecten verwacht worden. Bij patiënten die ritonavir gebruikten en geïnhaleerd of intranasaal fluticasonpropionaat toegediend kregen, zijn systemische corticosteroïdeffecten waaronder Cushing-syndroom en suppressie van de bijnier gemeld; dit kan ook optreden na gebruik van andere corticosteroïden die gemetaboliseerd worden via P450 3A, zoals bijv. budesonide en triamcinolon. Daarom wordt gelijktijdig gebruik van Kaletra met deze glucocorticoïden niet aanbevolen, tenzij het potentiële voordeel van de behandeling zwaarder weegt dan het risico op systemische corticosteroïdeffecten (zie rubriek 4.4). Een reductie van de dosis van het glucocorticoïd met nauwgezette controle van lokale en systemische effecten, of de overstap naar een glucocorticoïd welke niet gemetaboliseerd wordt door CYP3A4 (bijv. beclomethason) dient in overweging genomen te worden. Daarnaast kan het noodzakelijk zijn om de dosering over een langere periode geleidelijk af te bouwen wanneer de behandeling met glucocorticoïden gestaakt wordt. Fosfodiësterase(PDE5)-remmers Avanafil (ritonavir 600 mg BID) Avanafil: AUC: ↑ 13-voudig Wegens CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Het gebruik van avanafil met Kaletra is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Tadalafil Tadalafil: AUC: ↑ 2-voudig Vanwege CYP3A4-remming door lopinavir/ritonavir. Voor de behandeling van pulmonale arteriële hypertensie: Gelijktijdige toediening van Kaletra met sildenafil is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Gelijktijdige toediening van Kaletra met tadalafil wordt niet aanbevolen. Voor erectiele disfunctie: Extra voorzichtigheid dient te worden betracht bij het voorschrijven van sildenafil of tadalafil aan patiënten die Kaletra gebruiken en er dient in toegenomen mate op bijwerkingen te worden gelet waaronder hypotensie, syncope, visusveranderingen en langdurige erectie (zie rubriek 4.4). Bij gelijktijdige toediening met Kaletra mogen de sildenafildoses niet hoger zijn dan 25 mg per 48 uur en mogen de tadalafildoses niet hoger zijn dan 10 mg per 72 uur. Sildenafil Sildenafil: AUC: ↑ 11-voudig Vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra met tadalafil wordt niet aanbevolen. Voor erectiele disfunctie: extra voorzichtigheid dient te worden betracht bij het voorschrijven van sildenafil of tadalafil aan patiënten die Kaletra gebruiken en er dient in toegenomen mate op bijwerkingen te worden gelet waaronder hypotensie, syncope, visusveranderingen en langdurige erectie (zie rubriek 4.4). Bij gelijktijdige toediening met Kaletra mogen de sildenafildoses niet hoger zijn dan 25 mg per 48 uur en mogen de tadalafildoses niet hoger zijn dan 10 mg per 72 uur. Vardenafil Vardenafil: AUC: ↑ 49-voudig Vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Het gebruik van vardenafil met Kaletra is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Ergot-alkaloïden Dihydroergotamine, ergonovine, ergotamine, methylergonovine Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra en ergot-alkaloïden is gecontra-indiceerd, omdat het kan leiden tot acute ergot-toxiciteit, inclusief vaatspasme en ischemie (zie rubriek 4.3). Motiliteitsbevorderende middelen Cisapride Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van Kaletra en cisapride is gecontra-indiceerd, omdat het risico op ernstige aritmieën door deze middelen kan worden verhoogd (zie rubriek 4.3). HCV direct werkende antivirale middelen Elbasvir/grazoprevir (50/200 mg QD) Elbasvir: AUC: ↑ 2,71-voudig Cmax: ↑ 1,87-voudig C24: ↑ 3,58-voudig Grazoprevir: AUC: ↑ 11,86-voudig Cmax: ↑ 6,31-voudig C24: ↑ 20,70-voudig (combinaties van werkingsmechanismen waaronder CYP3A-remmers) Lopinavir: ↔ Gelijktijdige toediening van Kaletra en elbasvir/grazoprevir is gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Glecaprevir/pibrentasvir Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege P-gp-, BCRP- en OATP1B-remming door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van glecaprevir/pibrentasvir en Kaletra wordt niet aanbevolen vanwege een verhoogd risico op ALAT-verhogingen geassocieerd met verhoogde blootstelling aan glecaprevir. Sofosbuvir/velpatasvir/voxilaprevir Serumconcentraties van sofosbuvir, velpatasvir en voxilaprevir kunnen toenemen vanwege P-gp-, BCRP- en OATP1B1/3-remming door lopinavir/ritonavir. Alleen de toename in blootstelling aan voxilaprevir wordt echter klinisch relevant geacht. Gelijktijdige toediening van Kaletra en sofosbuvir, velpatasvir en voxilaprevir wordt niet aanbevolen. HCV-proteaseremmers Simeprevir 200 mg eenmaal daags (ritonavir 100 mg BID) Simeprevir: AUC: ↑ 7,2-voudig Cmax: ↑ 4,7-voudig Cmin: ↑ 14,4-voudig Gelijktijdige toediening van Kaletra en simeprevir wordt niet aanbevolen. Kruidenpreparaten Sint Janskruid (Hypericum perforatum) Lopinavir: Concentraties kunnen afnemen vanwege CYP3A-inductie door het kruidenpreparaat sint-Janskruid. Kruidenpreparaten met sint-Janskruid dienen niet met lopinavir en ritonavir te worden gecombineerd. Als een patiënt al sint-Janskruid gebruikt, staak het gebruik van sint-Janskruid en controleer zo mogelijk de virusconcentratie. Bij beëindiging van de behandeling met sint-Janskruid kunnen de lopinavir- en ritonavirspiegels stijgen. Mogelijk moet de dosis Kaletra worden aangepast. Het inducerende effect van sint-Janskruid kan tot ten minste 2 weken na beëindiging van de behandeling aanhouden (zie rubriek 4.3). Daarom kan 2 weken na beëindiging van de behandeling met sint-Janskruid veilig worden gestart met Kaletra. Immunosuppressiva Ciclosporine, sirolimus (rapamycine) en tacrolimus Ciclosporine, sirolimus (rapamycine), tacrolimus: Concentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Het wordt aanbevolen de therapeutische concentratie vaker te controleren, totdat de plasmaconcentraties van deze producten zijn gestabiliseerd. Lipidenverlagende middelen Lovastatine en simvastatine Lovastatine, simvastatine: Aanzienlijk verhoogde plasmaconcentraties vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. Aangezien toegenomen concentraties van HMG-CoA reductaseremmers myopathie, inclusief rabdomyolyse, kunnen veroorzaken, is de combinatie van deze geneesmiddelen met Kaletra gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). Lipide-modificerende middelen Lomitapide CYP3A4-remmers verhogen de blootstelling aan lomitapide, waarbij sterke remmers de blootstelling ongeveer 27 maal verhogen. Vanwege CYP3A4-remming door lopinavir/ritonavir wordt verwacht dat de concentraties van lomitapide toenemen. Gelijktijdig gebruik van Kaletra met lomitapide is gecontra-indiceerd (zie Samenvatting van de Productkenmerken van lomitapide) (zie rubriek 4.3) Atorvastatine Atorvastatine: AUC: ↑ 5,9-voudig Cmax: ↑ 4,7-voudig Vanwege CYP3A-remming door lopinavir/ritonavir. De combinatie van Kaletra met atorvastatine wordt niet aanbevolen. Als het gebruik van atorvastatine strikt noodzakelijk wordt geacht, dient de laagst mogelijke dosis atorvastatine te worden toegediend onder nauwkeurige veiligheidsbewaking (zie rubriek 4.4). Rosuvastatine, 20 mg QD Rosuvastatine: AUC: ↑ 2-voudig Cmax: ↑ 5-voudig Hoewel rosuvastatine matig gemetaboliseerd wordt door CYP3A4, is er een toename van de plasmaconcentraties waargenomen. Het mechanisme van deze interactie kan voortkomen uit een remming van de transporteiwitten. Voorzichtigheid moet worden betracht en verminderde doseringen moeten worden overwogen wanneer Kaletra gelijktijdig wordt gebruikt met rosuvastatine (zie rubriek 4.4). Fluvastatine of pravastatine Fluvastatine, pravastatine: Geen klinisch relevante interactie verwacht. Pravastatine wordt niet gemetaboliseerd door CYP450. Fluvastatine wordt gedeeltelijk gemetaboliseerd door CYP2C9. Indien behandeling met een HMG-CoA reductaseremmer is geïndiceerd, wordt pravastatine of fluvastatine aanbevolen. Opioïden Buprenorfine, 16 mg QD Buprenorfine: ↔ Geen dosisaanpassing nodig. Methadon Methadon: ↓ Het wordt aanbevolen de plasmaconcentraties van methadon te controleren. Orale anticonceptiemiddelen Ethinyloestradiol Ethinyloestradiol: ↓ In geval van gelijktijdige toediening van lopinavir/ritonavir met anticonceptiva die ethinyloestradiol bevatten (in welke anticonceptieve formulering dan ook, bijv. oraal of pleister), dienen alternatieve methoden van anticonceptie te worden toegepast. Hulpmiddelen om te stoppen met roken Bupropion Bupropion en zijn actieve metaboliet, hydroxybupropion: AUC en Cmax ↓ ~50 % Dit effect kan worden veroorzaakt door inductie van het bupropionmetabolisme. Wanneer de toediening van lopinavir/ritonavir met bupropion onvermijdelijk wordt geacht, dient deze toediening onder nauwkeurige klinische regelmatige controle van de bupropioneffectiviteit plaats te vinden, zonder de aanbevolen dosis te overschrijden, ondanks de waargenomen inductie. Schildklierhormoon vervangende behandeling Levothyroxine Postmarketing zijn er gevallen gemeld die wijzen op een mogelijke interactie tussen ritonavir-bevattende producten en levothyroxine. Schildklierstimulerend hormoon (TSH) moet bij patiënten die behandeld worden met levothyroxine in ieder geval de eerste maand na het starten en/of stoppen van de lopinavir/ritonavir behandeling worden gecontroleerd. Vasodilatatoren Bosentan Lopinavir-ritonavir: Lopinavir/ritonavir plasmaconcentraties kunnen verlaagd worden vanwege CYP3A4-inductie door bosentan. Bosentan: AUC: ↑ 5-voudig Cmax: ↑ 6-voudig In het begin, bosentan Cmin: ↑ ongeveer 48-voudig vanwege CYP3A4-remming door lopinavir/ritonavir. Voorzichtigheid moet worden betracht bij gelijktijdige toediening van Kaletra en bosentan. Als Kaletra gelijktijdig met bosentan wordt toegediend, dient de effectiviteit van de hiv-behandeling gemonitord te worden en patiënten moeten goed geobserveerd worden op bosentan-toxiciteit, in het bijzonder gedurende de eerste week van de gelijktijdige toediening. Riociguat Serumconcentraties kunnen toenemen vanwege CYP3A en P-gp-remming door lopinavir/ritonavir. Gelijktijdige toediening van riociguat met Kaletra wordt niet aanbevolen (zie rubriek 4.4 en raadpleeg de SmPC van riociguat). Overige geneesmiddelen Gebaseerd op bekende metabole profielen worden er geen klinisch significante interacties verwacht tussen Kaletra en dapson, trimethoprim/sulfamethoxazol, azitromycine of fluconazol.
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken. Het kan moeilijk zijn om onderscheid te maken tussen bijwerkingen veroorzaakt door Kaletra en bijwerkingen veroorzaakt door andere geneesmiddelen die u tegelijkertijd neemt of door complicaties van de hiv-infectie.
Tijdens de hiv-behandeling kan er een toename in gewicht en een stijging van de serumlipiden- en bloedglucosewaarden optreden. Dit wordt gedeeltelijk veroorzaakt door een herstel van uw gezondheid en door uw levensstijl. In het geval van een stijging van de serumlipidenwaarden kan het soms worden veroorzaakt door de hiv-middelen zelf. Uw arts zal u op deze veranderingen testen.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld bij patiënten die dit middel gebruikten. Licht uw arts direct in over deze of andere symptomen. Als de klachten aanhouden of verergeren, zoek dan medische hulp.
Zeer vaak: kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 gebruikers - diarree; - misselijkheid; - hogere luchtweginfectie.
Vaak: kunnen voorkomen bij minder dan 1 op de 10 gebruikers - ontsteking van de alvleesklier; - braken, opgezette buik, pijn in de boven- en onderbuik, winderigheid, spijsverteringsstoornis, verminderde eetlust, terugstroming van voedsel van uw maag naar uw slokdarm wat pijn kan veroorzaken; - zwelling of ontsteking van de maag, het darmkanaal en de dikke darm; - verhoogde cholesterolgehaltes in uw bloed, verhoogde triglyceridegehaltes (een vorm van vet) in uw bloed, hoge bloeddruk; - verminderd vermogen van het lichaam om om te gaan met suikers waaronder suikerziekte, gewichtsverlies; - laag aantal rode bloedcellen, laag aantal witte bloedcellen die doorgaans dienen om een infectie te bestrijden; - uitslag, eczeem, ophoping van vettige huidschilfers; - duizeligheid, angst, problemen met slapen; - zich moe voelen, krachteloosheid en gebrek aan energie, hoofdpijn waaronder migraine; - aambeien; - ontsteking van de lever waaronder verhoogde leverenzymen; - allergische reacties waaronder galbulten en ontsteking in de mond; - lagere luchtweginfectie; - vergroting van de lymfeknopen; - impotentie, afwijkende hevige of langdurige menstruatie of achterwegenblijvende menstruatie; - spierafwijkingen zoals zwaktes en spasmen, pijn in de gewrichten, spieren en rug; - schade aan de zenuwen van het perifere zenuwstelsel; - nachtzweten, jeuk, uitslag waaronder bulten op de huid, infectie van de huid, ontsteking van de huid of haarzakjes, ophoping van vocht in de cellen of weefsels.
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor (één van) de in "Samenstelling" vermelde hulpstof(fen).
Ernstige leverinsufficiëntie
Kaletra bevat lopinavir en ritonavir, die beide remmers zijn van de P450 isovorm CYP3A. Kaletra dient niet gelijktijdig te worden toegediend met geneesmiddelen die sterk afhankelijk zijn van CYP3A voor de klaring en waarbij verhoogde plasmaconcentraties geassocieerd zijn met ernstige en/of levensbedreigende aandoeningen. Deze geneesmiddelen zijn onder andere:
| Geneesmiddelenklasse | Geneesmiddelen binnen de klasse |
Rationale | |||
| Verhoogde spiegels van gelijktijdig toegediend geneesmiddel |
|||||
| Alpha1-adrenoceptor antagonist | Alfuzosine | Verhoogde plasmaconcentraties van alfuzosine, wat kan leiden tot ernstige hypotensie. Gelijktijdige toediening van alfuzosine is gecontra-indiceerd). | |||
| Anti-arrhythmica |
Amiodaron | Verhoogde plasmaconcentraties van amiodaron. Daardoor verhoogt het risico op aritmieën of andere ernstige bijwerkingen. |
|||
| Antibiotica | Fusidinezuur | Verhoogde plasmaconcentraties van fusidinezuur. Gelijktijdige toediening met fusidinezuur is bij dermatologische infecties gecontra-indiceerd). | |||
| Antihistaminica | Astemizol, terfenadine | Verhoogde plasmaconcentraties van astemizol en terfenadine. Daardoor verhoogt het risico op aritmieën door deze middelen. | |||
| Antipsychotica/ Neuroleptica | Pimozide | Verhoogde plasmaconcentraties van pimozide. Daardoor verhoogt het risico op ernstige hematologische afwijkingen of andere ernstige bijwerkingen van dit middel. |
|||
| Quetiapine | Verhoogde plasmaconcentraties van quetiapine, welke kunnen leiden tot coma. Gelijktijdige toediening met quetiapine is gecontra-indiceerd). | ||||
| Ergot-alkaloïden | Dihydroergotamine, ergonovine, ergotamine, methylergonovine | Verhoogde plasmaconcentraties van ergot-derivaten die leiden tot een acute ergot-intoxicatie, inclusief vaatspasme en ischemie. | |||
| Motiliteitsbevorderende middelen | Cisapride | Verhoogde plasmaconcentraties van cisapride. Daardoor verhoogt het risico op ernstige aritmieën door dit middel. | |||
| HMG Co-A Reductaseremmers | Lovastatine, simvastatine | Verhoogde plasmaconcentraties van lovastatine en simvastatine; daardoor verhoogt het risico op myopathie inclusief rabdomyolyse). | |||
| Fosfodiesterase (PDE5) remmers | Avanafil | Verhoogde plasmaconcentraties van avanafil. | |||
| Sildenafil |
Alleen gecontra-indiceerd indien gebruikt voor pulmonale arteriële hypertensie (PAH). Verhoogde plasmaconcentraties van sildenafil. Daardoor verhoogde mogelijkheid van met sildenafil geassocieerde bijwerkingen (waaronder hypotensie en syncope). Zie rubrieken 4.4 en 4.5 voor gelijktijdige toediening aan patiënten met erectiele disfunctie. | ||||
| Vardenafil | Verhoogde plasmaconcentraties van vardenafil. | ||||
| Sedativa/hypnotica | Oraal midazolam, triazolam | Verhoogde plasmaconcentraties van oraal midazolam en triazolam. Daardoor verhoogt het risico op extreme sedatie en ademhalings-depressie door deze middelen. Zie rubriek 4.5 voor voorzorgen bij parenterale toediening van midazolam. | |||
| Verlaagde spiegels van lopinavir/ritonavir |
|||||
| Kruidengeneesmiddelen | Sint-Janskruid | Kruidenpreparaten die Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) bevatten, vanwege een risico op verlaagde plasmaconcentraties en verminderd klinisch effect van lopinavir en ritonavir). | |||
De drank van Kaletra wordt gecontaïndiceerd bij kinderen jonger dan 2 jaar, zwangere vrouwen, patiënten met lever of nierdisfunctie, patiënten die behandeld worden met disulfiram of metronidazol door mogelijke toxiciteitsrisico's van de hulpstof propyleenglycol (zie rubriek 4.4).
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap Wanneer wordt besloten om antiretrovirale middelen voor de behandeling van een hiv-infectie bij zwangere vrouwen te gebruiken en daardoor tevens het risico van verticale transmissie van hiv naar het kind te verminderen, moeten in de regel dierstudies maar ook klinische ervaring bij zwangere vrouwen in acht genomen worden om de veiligheid voor de foetus te karakteriseren. Lopinavir/ritonavir is geëvalueerd bij meer dan 3000 zwangere vrouwen, van wie er meer dan 1000 in het eerste trimester van de zwangerschap waren. Postmarketingsurveillance middels de Antiretroviral Pregnancy Registry, ingesteld sinds januari 1989, toont geen verhoogd risico op geboorteafwijkingen met Kaletra bij meer dan 1000 vrouwen die blootgesteld zijn tijdens het eerste trimester. De prevalentie van geboorteafwijkingen na blootstelling aan lopinavir, ongeacht in welk trimester, is vergelijkbaar met de prevalentie van geboorteafwijkingen waargenomen in de algemene populatie. Er werd geen patroon van geboorteafwijkingen met een gemeenschappelijke etiologie gezien. In proefdieronderzoeken werd reproductietoxiciteit waargenomen (zie rubriek 5.3). Op basis van deze data is het risico op misvormingen voor mensen onwaarschijnlijk. Lopinavir kan tijdens de zwangerschap worden gebruikt indien dit klinisch nodig is. Borstvoeding Onderzoeken met ratten lieten zien dat lopinavir wordt uitgescheiden in de melk. Het is onbekend of dit geneesmiddel bij mensen wordt uitgescheiden in moedermelk. Het wordt vrouwen met hiv in het algemeen aanbevolen om hun kinderen geen borstvoeding te geven om de transmissie van hiv te vermijden. Vruchtbaarheid Dierstudies toonden geen effecten aan op de vruchtbaarheid. Er zijn geen gegevens beschikbaar over het effect van lopinavir/ritonavir op de vruchtbaarheid bij mensen.
Volwassenen en adolescenten
Kinderen > 2 jaar
Toedieningswijze
| CNK | 1612605 |
|---|---|
| Organisaties | Abbvie |
| Breedte | 109 mm |
| Lengte | 124 mm |
| Diepte | 83 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 5 |
| Actieve ingrediënten | lopinavir, ritonavir |
| Behoud | Koelkast (2°C - 8°C) |